De Stadswerk Gedragscodetool is een samenwerking van Stadswerk en NLadviseurs

U bent hier: Home 5 Updates 5 9 diersoorten waar jij ook mee te maken hebt
9 diersoorten waar jij ook mee te maken hebt

Maak kennis met de das, buizerd, rugstreeppad en nog zes andere diersoorten. Volgens de natuurwetgeving zijn dit stuk voor stuk beschermde soorten. Ze komen in vrijwel elke Nederlandse gemeente voor, maar worden bij beheer- en onderhoudswerkzaamheden toch regelmatig over het hoofd gezien. Met onnodige schade aan soorten en leefgebieden als gevolg. Hoe voorkom je dat? 

In dit artikel zetten we een aantal van deze veelvoorkomende beschermde soorten voor je op een rij. Je leert sporen herkennen en wat hun aanwezigheid betekent voor jouw beheer. De Stadswerk Gedragscodetool helpt je daarbij met ecologisch deskundige richtlijnen voor zorgvuldig handelen. De eerste stap blijft echter: weten waar je op moet letten in het veld. 

Waarom je deze soorten moet kennen

Deze beschermde soorten zijn wijdverspreid, maar lastig waar te nemen. Veel zijn in het donker actief, zoals de das en de gewone grootoorvleemuis, of leven verborgen, zoals de wezel. Hun verblijfplaatsen zijn daardoor niet exact vast te leggen. Bovendien is natuur dynamisch: tot op de meter nauwkeurig in kaart brengen is simpelweg niet realistisch. Veldherkenning tijdens een voorloopronde blijft daarom onmisbaar om de juiste maatregelen te kunnen nemen.

Wat de gedragscodetool wel (en niet) kan

De Stadswerk Gedragscodetool werkt voor veel soorten met potentiële leefgebieden, vastgesteld door een ecoloog op basis van onder meer NDFF-gegevens en lokale informatie. De data worden beoordeeld op kwaliteit en waar nodig aangevuld met inventarisaties. Zo ontstaat een betrouwbaar en werkbaar beeld. Omdat deze negen soorten vrijwel overal voorkomen, maar niet tot op de verblijfplaats nauwkeurig zijn vast te leggen, is het belangrijk om (potentiële) leefgebieden zelf te leren herkennen. Als je weet met welke soorten je te maken hebt, vertaalt de tool die kennis vervolgens naar passende maatregelen per soort.

 

1. Das 

De das is een van de 9 beschermde diersoorten die in heel Nederland voorkomen maar vaak over het hoofd worden gezien bij reguliere beheerwerkzaamheden.

 

 

 

 

 

 

De das is met zijn grote, brede kop en zwaargebouwde lichaam een van de grootste marterachtigen van Europa. Met zijn kleine ogen ziet hij relatief slecht: hij ziet geen kleuren en kan alleen op korte afstand scherp waarnemen. Daarentegen heeft de das een goed gehoor waarmee hij bijvoorbeeld kleine insecten kan horen ritselen in de strooisellaag. Maar het best ontwikkelde zintuig van de das is zijn reuk. Dassen vertrouwen dan ook vooral op hun reukvermogen. Zo kunnen ze nog na twee dagen ruiken of er mensen bij hun burcht zijn geweest en vanuit hun burcht kunnen ze ruiken wat er buiten gebeurt.  

Sporen

De das leeft overdag vooral onder de grond en komt pas uit zijn burcht bij schemering. Het waarnemen van actieve dassen is dus lastig, maar hij laat veel sporen na die je overdag goed kunt zien:  

Dassenburchten
Dassen leven in zelfgegraven holenstelsels, vaak bij bosranden, houtwallen, brede heggen of op hellingen en vrijwel altijd in de buurt van grasland. Je herkent een burcht aan de zandhopen bij de ingangen. Een burcht heeft gemiddeld drie tot tien ingangen, maar grote burchten die al generaties lang worden gebruikt kunnen er wel vijftig hebben. De das staat erom bekend dat hij zijn burcht soms deelt met andere zoogdieren als vossen, kleine marters, konijnen en bosmuizen. 

Mestputjes
Dassen graven kleine putjes waarin ze hun keutels achterlaten. Hiermee markeren ze hun leefgebied. Je vindt ze dan ook vaak langs hun territoriumgrenzen en in hun foerageergebieden.   

Beheer

Dassen hebben een groot leefgebied van ongeveer 30 hectare en soms zelfs tot 150 hectare. In een groot deel van dit gebied kun je meestal gewoon je beheerwerkzaamheden uitvoeren. De dassenburcht zelf is strenger beschermd omdat ze vaak generaties lang worden gebruikt. Tijdens de voortplantingsperiode mag je binnen een straal van enkele tientallen meters geen werkzaamheden uitvoeren. Buiten deze kwetsbare periode kun je bepaalde werkzaamheden wél doen, op voorwaarde dat je werkt volgens de mitigerende maatregelen uit de geldende gedragscode.

2. Bever

De bever leefde vroeger in grote delen van Nederland, maar verdween in 1826 door intensieve pelsjacht en verlies van leefgebied. In de jaren negentig is de soort opnieuw uitgezet in de Biesbosch. Sindsdien breidt de bever zich, mede dankzij herintroductieprogramma’s, weer uit in Nederland. De bever is het grootste knaagdier van Europa en goed herkenbaar aan zijn grote, afgeplatte staart en opvallende voortanden. Door het hoge ijzergehalte krijgen de tanden een oranje kleur en zijn ze sterk genoeg om bomen door te knagen. In het veld wordt hij soms verward met de muskusrat en de beverrat, beide uitheemse soorten. Deze dieren zijn kleiner en hebben geen platte, maar een smalle, ronde staart. 

Sporen

Overdag blijft de bever meestal in zijn burcht of in een zelfgegraven hol. Pas bij schemering komt hij naar buiten. Het zien van een bever is daarom lastig, maar de sporen die hij achterlaat zijn overdag goed te zien:  

Beverburcht 

 

 

 

 

Een bever kan in een hol in de oever of in een burcht van takken en modder verblijven. Als een bever zich ergens gaat vestigen, begint hij met het graven van een hol onder de waterlijn. Als de oever hoog genoeg is en de bodem stevig genoeg blijft, blijft het een hol. Als er echter sprake is van een lage, zandige oever, zal het dak van de holte al snel instorten. Dan bedekt de bever zijn holte met takken en modder en zo ontstaan de kenmerkende beverburchten.

Vraatsporen  

De bever heeft sterke tanden waarmee hij gemakkelijk bomen om kan knagen. Deze vraatsporen zijn in het veld goed zichtbaar en vormen een belangrijke aanwijzing voor de aanwezigheid van bevers. Bij bomen die nog niet zijn omgeknaagd, is tot ongeveer een halve meter hoogte een zandlopervormige inkeping te zien. Is de boom wel omgeknaagd, dan blijft alleen het onderste deel van de zandloper zichtbaar, inclusief tandafdrukken van circa 8 millimeter breed. Bij verse sporen liggen rond de knaagplek vaak grove houtsnippers. Ook zie je vaak geschilde takken, waar de bast volledig af is, en sleepsporen van takken. 

Beheer 

Bevers hebben een groot leefgebied tot maximaal 15 km aan oevers. Een groot deel van dit gebied wordt echter gebruikt als foerageergebied en hier kan het reguliere beheer gewoon worden uitgevoerd, zolang het karakter van het gebied maar niet verandert. De verblijfplaatsen van bevers zijn echter strenger beschermd. Tijdens de voortplantingsperiode mag je binnen een straal van enkele tientallen meters geen werkzaamheden uitvoeren. Buiten deze kwetsbare periode kun je bepaalde werkzaamheden wél doen, op voorwaarde dat je werkt volgens de mitigerende maatregelen uit de geldende gedragscode.

3. Eekhoorn

De rode eekhoorn is een bekende bewoner van bossen, parken, goed ontwikkelde houtwallen en soms worden ze zelfs gezien in tuinen. Ze hebben een roestbruine vacht met een witte buik en kenmerkende harige pluimen op de oren. Het voedsel van eekhoorns bestaat voornamelijk uit zaden van bomen zoals eikels, beukennootjes en kegels van naaldbomen. Daarnaast eten ze soms ook paddenstoelen, insecten, eieren en jonge vogels. Eekhoorns leven voor een groot deel van hun leven solitair maar in de paartijd slapen mannelijke en vrouwelijke dieren regelmatig in één nest.  

Sporen

Eekhoorns zijn voornamelijk overdag actief waardoor je ze gemakkelijk in het veld tegen kan komen. Het is echter lastiger om de essentiële onderdelen van het leefgebied van de eekhoorn in het veld te bepalen. Voor de eekhoorn gaat het hier om nesten en voedselbomen.  

Eekhoornnesten  

Eekhoorns maken hun nest op minstens 5 meter boven de grond in de boomkroon of een takvork, meestal dicht bij de stam van de boom. Het nest is bolvormig en heeft een doorsnede van 30 tot 50 cm. Het nest wordt vaak verward met het nest van een ekster. Een eekhoorn maakt in zijn territorium één hoofdnest/kraamnest, bestaande uit dikkere en stevigere takken, en vijf tot zes kleinere nesten. De beste periode om de nesten waar te nemen is in de winter wanneer de bomen geen blad meer hebben.  

Vraatsporen 

Ook vraatsporen wijzen op de aanwezigheid van eekhoorns in een gebied. Bij eikels en beukennootjes is het lastig vast te stellen of deze door een eekhoorn zijn gegeten. Bij dennenappels is dat eenvoudiger: de eekhoorn knaagt de schubben los om bij de zaden te komen en laat een rafelige kern achter. Deze schubben en kernen liggen vaak op vaste ‘eetplekken’ op de grond, meestal onder bomen. 

Beheer 

In gebieden met een goed ontwikkelde houtstructuur, met voldoende grote bomen en voedselbomen, kunnen eekhoorns voorkomen, zowel in bos- als in stedelijk gebied. De aanwezigheid van eekhoorns betekent echter niet dat beheerwerkzaamheden niet mogelijk zijn. Bij de uitvoering is het belangrijk dat eekhoornnesten intact blijven en dat voldoende voedselbomen behouden blijven. Alleen rondom de nestbomen zijn er daarom mitigerende maatregelen nodig die af kunnen wijken van het reguliere beheer. 

4. Kleine marters

De bunzing, hermelijn en wezel zijn de drie verschillende soorten kleine martersoorten die in Nederland voor kunnen komen. Alle drie de soorten komen voor landschappen met een netwerk aan kleinschalige landschapselementen in agrarisch-, natuurlijk en stedelijke gebied. Voor de bunzing en wezel is dekking van houtige begroeiing essentieel voor het voorkomen van de soort. De hermelijn is minder gekoppeld aan dekking en komt ook voor in open, extensief beheerde polderlandschappen.  

Essentiële onderdelen van het leefgebied 

Kleine marters leven vrij verborgen en zijn vaak moeilijk in het veld waar te nemen. Ook laten kleine marters weinig tot geen sporen achter. In de praktijk kunnen kleine marters overal voorkomen waar het landschap voldoet aan de eisen die ze stellen.  

Verblijfplaatsen 

Kleine marterachtigen gebruiken holtes tussen wortels van houtige begroeiing of verlaten muizen- en konijnenholen, meestal in de beschutting van dichte houtige elementen, als kraamplaats om hun jongen groot te brengen. Naast de kraamverblijfplaatsen kunnen ze ook gebruik maken van takkenrillen, steenhopen en van holtes in bomen als rustplaats om zich overdag schuil te houden.  

Verbindingen  

Voor kleine marters is het van belang dat er voldoende landschappelijke elementen in het leefgebied staan en met elkaar zijn verbonden. Deze landschapselementen zorgen voor de dekking die voor kleine marters essentieel is en ze hebben de verbinding tussen deze landschapselementen nodig om in hun leefgebied veilig te foerageren.  

Beheer 

Kleine martersoorten zijn in Nederland beschermd, maar dat betekent niet dat beheerwerkzaamheden niet mogelijk zijn. In de meeste gevallen kunnen werkzaamheden gewoon doorgaan. Het is vooral belangrijk dat potentiële verblijfplaatsen niet worden aangetast tijdens de werkzaamheden. Door hier vooraf rekening mee te houden en waar nodig enkele mitigerende maatregelen toe te passen, kan het beheer worden uitgevoerd zonder dat er verblijfplaatsen worden aangetast.

5. Gewone grootoorvleermuis

Met oren die bijna half zo lang zijn als het lichaam doet de gewone grootoorvleermuis zijn naam eer aan. Hij gebruikt zijn grote oren om ’s nachts te luisteren naar het geritsel van insecten en zo zijn prooi op te sporen. Daardoor is hij minder afhankelijk van echolocatie bij het jagen. Deze vleermuissoort gebruikt holle ruimtes in zowel gebouwen als bomen. Zowel kraamverblijven als winterverblijven (echter wel zeldzaam) kunnen zich in boomholtes bevinden. Net als veel andere vleermuissoorten maakt de gewone grootoorvleermuis gebruik van de dekking van landschapselementen om veilig van de verblijfplaats naar het jachtgebied te vliegen. 

Essentiële onderdelen van het leefgebied 

Doordat gewone grootoorvleermuizen pas een uur na zonsondergang actief worden is het moeilijk om te bepalen waar ze zich bevinden. Het is daarnaast lastig om de essentiële onderdelen zoals verblijfplaatsen te bepalen. In het veld kun je letten op de volgende onderdelen: 

Verblijfplaatsen 

In de praktijk kunnen gewone grootoorvleermuizen en andere boombewonende vleermuissoorten in allerlei bomen verblijven zolang ze maar beschikken over geschikte holtes of spleten. Of een holte geschikt is, is afhankelijk van enkele factoren. Een holte moet zich bevinden op minimaal 3 meter hoogte en de holte moet naar boven zijn ingerot zodat er geen water in de holte kan komen. Vaak zie je bij dit soort holtes dan ook gebruikssporen zoals uitwerpselen aan de stam en vetvlekken rondom de holte.  

Beheer 

Voor de gewone grootoorvleermuis en andere boombewonende vleermuissoorten is het belangrijk om vóór de start van de werkzaamheden te weten welke bomen geschikte holtes bevatten. Als deze bomen in beeld zijn, kan het beheer daar door middel van mitigerende maatregelen op worden afgestemd. Met enkele gerichte maatregelen en door werkzaamheden buiten kwetsbare periodes uit te voeren, kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd zonder dat er vleermuizen worden verstoord of essentiële onderdelen van het leefgebied worden aangetast. 

6. Buizerd

De buizerd is in Nederland de meest algemene roofvogelsoort en is dan ook in heel Nederland te zien. De buizerd kan qua uiterlijk sterk variëren. Je hebt in Nederland volledig donkerbruine tot bijna volledig witte exemplaren, en alles daartussenin. De buizerd is vaak te zien langs grote wegen waar ze op paaltjes zitten en op zoek zijn naar muizen. De vogel stelt geen strenge eisen aan zijn leefgebied en kan dan ook voorkomen in verschillende typen landschappen, waaronder bossen, parken en agrarisch gebied.  

Essentiële onderdelen van het leefgebied 

Buizerds zijn overdag actief waardoor je ze gemakkelijk in het veld tegen kan komen. Het is echter lastiger om de essentiële onderdelen van het leefgebied te bepalen. In het veld kun je letten op de volgende onderdelen: 

Nesten 

De buizerd maakt zijn nest van takken en twijgen in de kruinen van hoge bomen maar kan ook andere nesten van kraaien en roofvogels als basis gebruiken voor hun eigen nest. De nesten zijn erg groot en kunnen een doorsnede van 60 cm hebben. Een paartje buizerds heeft meerdere nesten in een territorium en keren van jaar op jaar terug naar een nest. Daarom zijn de nesten van de buizerd jaarrond beschermd. 

Beheer 

Voor alle vogels geldt dat nesten tijdens het broedseizoen niet verstoord of geschaad mogen worden tijdens beheerwerkzaamheden. Daarom moet er met regulier beheer gewerkt worden met een soortspecifieke beschermingszone rond broedende vogels. Als de nesten niet meer in gebruik zijn mag er ook binnen de beschermingszone van deze algemene broedvogels reguliere beheerwerkzaamheden plaatsvinden. Bij de buizerd is het nest jaarrond beschermd. Dat betekent dat het nest en de nestboom altijd intact moeten blijven. Buiten het broedseizoen kunnen werkzaamheden in de beschermingszone doorgaan, zolang de nestboom met mitigerende maatregelen wordt ontzien en de directe omgeving geschikt blijft voor de buizerd als nestlocatie. 

7. Rugstreeppad

De rugstreeppad is een middelgrote paddensoort die duidelijk te herkennen is aan de gele streep die over de rug loopt, waaraan hij zijn naam te danken heeft. De soort is sterk gebonden aan pionierslandschappen. Dit wil zeggen kaal zand met enkele kruidachtige planten. Van nature gaat het over zandafzettingen in het rivierenlandschap en de duinen. Dit landschapstype ontstaat echter ook door menselijke activiteit. Ruderale terreinen zoals bouwkavels en braakliggende terreinen vormen een goede habitat voor de pad. De soort kan tot wel 3 tot 5 km afleggen om op zoek te gaan naar geschikt leefgebied. Als het pionierslandschap over een aantal jaar verdwijnt zal de rugstreeppad ook uit het gebied verdwijnen en op zoek gaan naar nieuwe terreinen.  

Essentiële onderdelen van het leefgebied 

Het kan lastig zijn om de rugstreeppad in het veld waar te nemen. Door in het veld te weten welke eisen een rugstreeppad stelt aan zijn omgeving, kun je een inschatting maken of de soort er potentieel voor kan komen. In het veld kun je letten op de volgende onderdelen: 

Voortplantingshabitat 

Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen op kaal zand of ruderale terreinen, maar in een natuurlijke habitat kunnen ook slootjes en vennen geschikt zijn. 

Overwinteringshabitat 

De rugstreeppad overwintert onder de grond waarbij ze zichzelf 60 tot 180 cm diep in kunnen graven. Voor de overwintering zijn ze dan ook voornamelijk afhankelijk van een losse grond (veelal kaal zand) waar de waterstand in de winter niet te hoog komt te staan. De rugstreeppad kan tot enkele kilometers van de voortplantingswateren op zoek gaan naar geschikte overwinteringshabitat.  

Beheer 

Omdat de rugstreeppad in de loop van het jaar verschillende delen van het gebied gebruikt, is het in potentieel leefgebied nodig om het beheer af te stemmen op het seizoen en de functie van het terrein. In de actieve periode van de rugstreeppad is het vooral belangrijk om bij werkzaamheden rekening te houden met mogelijk voortplantingswater en foerageergebied. In de winter ligt de aandacht juist op het intact houden van potentiële overwinteringsplekken. Door werkzaamheden buiten de kwetsbare perioden uit te voeren, is de kans op schadelijke effecten kleiner. Daardoor kunnen in veel gevallen lichtere of minder ingrijpende mitigerende maatregelen volstaan. 

8. Teunisbloempijlstaart

De teunisbloempijlstaart is een nachtvlindersoort die zich geleidelijk vanuit Zuid-Limburg naar het noorden van Nederland verspreidt. De volwassen vlinder (imago) heeft verschillende groentinten in de vleugels en een dik, lichtgrijs achterlijf. De rups is grijs van kleur en heeft kleine stippen die in een rij langs de flank lopen. Daarnaast is de rups goed herkenbaar aan een opvallende vlek op de kop, die doet denken aan een oog. 

Essentiële onderdelen van het leefgebied 

Het is erg lastig om de teunisbloempijlstaart in het veld waar te nemen. Door in het veld te weten welke eisen een teunisbloempijlstaart stelt aan zijn omgeving, kun je een inschatting maken of de soort er potentieel voor kan komen. In het veld kun je letten op de volgende onderdelen: 

Waardplanten  

Zowel dag- als nachtvlinders zijn gespecialiseerd op enkele plantensoorten (of plantengroepen) voor de voortplanting. Ze zetten hun eitjes af op deze planten, de rupsen eten van de bladeren van deze planten en vaak verpoppen de rupsen ook op of rondom de waardplant. De teunisbloempijlstaart legt zijn eieren op teunisbloem, kattenstaart, wilgenroosje en basterdwederik. Deze planten staan vaak op zonnige tot halfschaduwrijke, zandige plaatsen. Zo staan ze in kruidenrijke bermen, oevers, bosranden en op braakliggende grond.  

Overwintering  

De rups van de teunisbloempijlstaart verpopt in het najaar en laat zich dan vallen op de strooisellaag onder de waardplant. Hier overwintert hij als pop. In het voorjaar kruipt de vlinder uit de pop en zet zijn eieren weer af op de waardplant.  

Beheer 

Tijdens een deel van zijn levenscyclus (ei, rups en pop) is de teunisbloempijlstaart erg gevoelig voor werkzaamheden in zijn leefgebied. In de praktijk gaat het hierbij vooral om maaiwerkzaamheden. Dit betekent echter niet dat maaien niet mogelijk is wanneer de soort potentieel in een perceel voorkomt. Door het maaien in geschikte periodes uit te voeren, een deel van het areaal te laten staan en te werken met een minimale maaihoogte, kunnen werkzaamheden meestal gewoon plaatsvinden. Bovendien sluiten deze maatregelen goed aan bij biodiversiteitsvriendelijk beheer en zijn ze niet alleen gunstig voor de teunisbloempijlstaart, maar voor insecten in het algemeen.

9. Gevlekte witsnuitlibel

De gevlekte witsnuitlibel is met een lengte van bijna 39 mm de grootste witsnuitlibellensoort die we in Nederland hebben. Zoals de naam suggereert hebben alle witsnuitlibellen een witte snuit waar de soortgroep makkelijk aan te herkennen is. Het achterlijf is zwart met rode, gele of bruine vlekken. De kleur van de vlekken is afhankelijk van het geslacht en de leeftijd. De imago’s van de gevlekte witsnuitlibel zijn te zien van eind april t/m juli. 

Essentiële onderdelen van het leefgebied 

Doordat de imago van de gevlekte witsnuitlibel maar een paar maanden per jaar vliegt is het erg lastig om de libellensoort in het veld waar te nemen. Door in het veld te weten welke eisen een gevlekte witsnuitlibel stelt aan zijn omgeving, kun je een inschatting maken of de soort er potentieel voor kan komen. In het veld kun je letten op de volgende onderdelen: 

Voortplantingshabitat 

De gevlekte witsnuitlibel zet haar eieren af in sloten, poelen en plassen in laagveenmoerassen, duinen en heidegebieden. De larven leven ongeveer anderhalf jaar in het water en overwinteren daarbij twee keer voordat zij zich ontwikkelen tot volwassen libellen. Deze ontwikkeling heet uitsluipen: de larven verlaten via de oevervegetatie het water en transformeren daar tot volwassen libellen. De achtergebleven larvenhuidjes zijn vaak terug te vinden in de oevervegetatie. 

Beheer 

Omdat de larven van de gevlekte witsnuitlibel langere tijd gebonden zijn aan het water waarin ze zijn afgezet is het belangrijk dat poelen, plassen en sloten zo min mogelijk worden verstoord. Tegelijkertijd is beheer vaak nodig om de waterkwaliteit op peil te houden of om te voorkomen dat oevers te dicht begroeid raken. Door beheerwerkzaamheden rondom voortplantingswateren op een passend moment uit te voeren en gefaseerd te werken, kunnen deze werkzaamheden in de praktijk meestal gewoon doorgaan. Bovendien sluiten deze maatregelen goed aan bij biodiversiteitsvriendelijk beheer en zijn ze niet alleen gunstig voor de gevlekte witsnuitlibel, maar voor veel dieren die in en om het water voorkomen. 

 

Ben je benieuwd aan welke voorwaarden je moet voldoen om binnen het leefgebied van al deze beschermde diersoorten veilig en volgens de Omgevingswet te werken? Neem dan eens een kijkje in de gedragscodetool. Deze tool genereert een ecologisch werkprotocol op maat, specifiek afgestemd op een bepaalde locatie en de daar aanwezige beschermde soorten, en bevat een ecologische werkinstructie tot op de zaag nauwkeurig.

meer updates

Gerelateerde berichten

Gelezen in Stad+Groen: zo helpt de tool jóu

Gelezen in Stad+Groen: zo helpt de tool jóu

Werken volgens de geldende natuurwet- en regelgeving kan een uitdaging zijn. De dagelijkse praktijk brengt vaak onverwachte situaties met zich mee. Waar helpt de Stadswerk Gedragscodetool jou?

Lees meer

Meer weten?  

Ben je benieuwd wat de tool kan betekenen voor jou en je team?
Boek een demo via de button hiernaast.